8
Ik was in geen anderhalf jaar thuis geweest en ik voelde me een beetje zoals Alice vlak nadat ze door het konijnenhol in Wonderland terechtkomt. Ik zou zweren dat mijn ouders waren gekrompen. Of dát, of ík was groter geworden, wat een stellige en verontrustende mogelijkheid was waar ik weigerde lang bij stil te staan. Ik was pap en mam bijna straal voorbijgelopen op Union Station, deels omdat ik ze niet herkende in hun uniseks donsjassen die hen van kin tot knie verzwolgen.
‘Vijftig procent korting bij de Lands’ End-outlet!’ kraaide mam triomfantelijk voordat ze me zelfs maar begroetend had omhelsd. Alsof je werd aangevallen door een verliefde marshmallow.
Papa, gekleed in de mannelijkere bruine versie van de jas, hield een bagagekarretje in een doodsgreep en wierp blikken die ‘waag het niet’ zeiden naar iedereen die zich binnen een straal van drie meter ervan waagde.
‘Goed om je te zien,’ zei hij tegen mij.
Met tegenzin haalde hij één hand van het karretje, maar pas nadat hij waarschuwend naar een dieverige oma had gekeken die er gevaarlijk dicht langswankelde. Pap en ik omhelsden elkaar op onze gebruikelijke, genegen manier: hij klopte zo hard op mijn rug alsof ik stikte en hij een homp brood uit mijn luchtpijp probeerde los te krijgen.
‘Je ziet er geweldig uit,’ zei mam, die naar mijn gezicht tuurde toen papa me eindelijk uit zijn Heimlich-greep losliet en ik een hap lucht kon nemen. ‘Moe, maar geweldig. Heb je nou kringen onder je ogen?’
‘Ik heb een bagagekarretje,’ deelde pap mee. ‘Ik zet je koffers erop.’
‘Je zult wel honger hebben,’ zei mam. ‘Is die jas wel warm genoeg?’ Ze rilde theatraal. ‘Ooh, het is zo koud buiten. Heb je het niet koud?’
‘Hoe ging je reis?’ vroeg pap. ‘Geen vertragingen?’
‘Ik ben een beetje moe, niet heel veel honger,’ antwoordde ik. Verbazingwekkend hoe snel ik me aan de ouderlijke stroom van vragen aanpaste. Het was alsof je op een fiets sprong na jaren op zee en zo zonder te slingeren de straat uit reed. Sommige dingen verleerde je nooit.
‘Mijn jas is beslist warm genoeg,’ ging ik verder. ‘Geen vertragingen. De reis was super.’ Als je het leuk vond om tevergeefs het nieuwste journalistieke onderzoek (‘Zijn ze wel echt? De sterren blazen alles op!’) van de mensen bij People te proberen te lezen, vervolgens drie keer door de restauratie te struinen, een kruiswoordpuzzel half af te maken en uiteindelijk gewoon maar uit het raam te staren naar het landschap dat voorbij raasde terwijl je uit de trein zou willen springen om ernaast mee te rennen. Ik was nooit goed geweest in stilzitten en vandaag was het nog moeilijker dan anders.
‘Wat ontzettend goed om jullie weer te zien,’ zei ik om een nieuw vragenvuur te onderbreken.
‘Jou ook, lieverd,’ zei mam en ze stopte mijn haar achter mijn oor, zoals ze dat al sinds mijn derde deed. Ik schudde het instinctief weer los, zoals ik dat al sinds mijn derde deed. Papa, die altijd makkelijker met daden dan met woorden is, maakte een showtje van het laden van het bagagekarretje.
‘Wist wel dat dit van pas zou komen,’ zei hij en hij klopte op het karretje alsof het een meloen was en pufte zijn smalle borstkas leeg. Ik had het hart niet om te zeggen dat we mijn twee middelgrote koffers best met ons drieën konden tillen.
‘Je zal wel uitgehongerd zijn na zo’n reis,’ zei mama bezorgd terwijl ze een denkbeeldig pluisje van mijn schouder veegde.
‘Het was maar drie uur,’ protesteerde ik, ‘en ik heb Cheetos gehad.’ En eh… een piepklein chocolate chip cookie. Het noemen nauwelijks waard, eigenlijk. En ik had alleen maar een tweede gegeten omdat ze per twee verpakt waren. Ik had geen keus, ik was het slachtoffer van de verpakkingen van de spoorwegen.
‘Maar toch,’ zei mam toen we naar de auto liepen, ‘we zitten eraan te denken om bij Antonio’s te gaan lunchen. Ook al wassen ze hun tafelzilver niet altijd even goed…’
‘Eén keer,’ zei pap terwijl hij zijn ogen naar de hemel opsloeg, die schijnbaar vol mannen zat die met hem meevoelden. ‘Er zat één keer een spikkeltje opgedroogde spaghetti op je vork. Een spikkeltje. Beter dan die Indiase tent met die verslaafde gastvrouw.’
‘Dat ze blauw haar heeft wil niet meteen zeggen dat ze een junkie is,’ zei mam. ‘Misschien is het gewoon een manier om zich uit te drukken. Misschien is ze wel een kunstenares. Op een dag wordt ze beroemd en krijg je spijt dat je niet aardiger tegen haar bent geweest. En het was meer dan een spikkel. Eerder een kwart sliert.’
‘Ik moet voor die verslaafde gastvrouw altijd drie keer mijn naam spellen,’ mopperde pap. ‘Marihuana, daar sterven je hersencellen van af.’
‘Nou, we kunnen ook niet naar Pines of Italy,’ zei mam. ‘Daar word je winderig van.’
‘Alleen van het knoflookbrood,’ protesteerde pap. Hij tilde nu mijn koffers in de kofferbak van onze oude stationcar, die met alle deuken in de zijkanten. Mam had vaak ruzie met pilaren in parkeergarages.
‘Maar daar kun je niet vanaf blijven,’ zei mam. ‘Als je nou gewoon één of twee stukjes nam in plaats van het hele mandje…’
‘Antonio’s klinkt prima,’ zei ik. Pap en mam schrokken allebei op en keken toen over hun schouder naar mij, alsof ze me helemaal vergeten waren.
Laat ik het maar meteen bekennen. Het zit zo: ik heb mijn ouders verteld dat ik naar Bethesda kwam om een nieuw filiaal van Richards, Dunne & Krantz te openen. Dat was de enige echte leugen die ik mijn ouders in negenentwintig jaar verteld heb, als je de één of twee gebruikelijke ‘Alex heeft het laatste koekje opgegeten’-leugentjes niet meerekende die aantoonbaar nodig zijn voor je ontwikkeling als kind. Ik vond het verschrikkelijk. Het voelde zo verkeerd, alsof je naar een picknick op een drukkend hete middag in juli een wollen kriebeltrui droeg.
Maar toen ik mijn ouders belde om te vertellen dat ik weer thuis kwam wonen, vroeg mam: ‘Naar huis? Maar het gaat zo goed in New York.’
Toen was haar stem iets scheller geworden. ‘Toch?’
En toen papa zich er door de andere telefoon mee was gaan bemoeien en vroeg: ‘Gaat alles wel goed, Lindsey?’ in plaats van een mogelijk emotioneel gesprek aan mama over te laten en de kamer uit te stormen alsof er een tornado aankwam, zoals hij normaal gesproken deed, was ik verstomd. Terwijl hun bezorgde stemmen vragen op me afvuurden, dacht ik aan mijn laatste bezoek aan hen. Pap had tegen alle redelijkheid in besloten de dakgoten schoon te maken. Het feit dat het regende, de bomen nog lang niet al hun bladeren kwijt waren en hij ze twee maanden daarvoor nog had schoongemaakt was volkomen onbelangrijk. Pap was gegrepen door dakgotenschoonmaakwaanzin. Dus hield ik de ladder voor hem vast – iemand moest het doen anders brak hij waarschijnlijk beide benen – en stond ik een tijdlang naar zijn enkels te kijken. Het viel me ineens op hoe knokig ze waren. De huid eromheen was los en bezaaid met bruine ouderdomsvlekken die ik nooit eerder had opgemerkt.
Die avond had ik tijdens het eten naar mijn ouders gekeken – écht naar ze gekeken – en de veranderingen gezien die zo geleidelijk waren gekomen dat ze bijna onmerkbaar waren. De leesbril en de aarzeling op de trap, dat mijn vader nu meer grijze dan bruine haren had, het lichte trillen van mijn moeders hand als ze een lepel aardappelpuree opschepte. Die avond kwam het heel duidelijk bij me binnen. Mijn ouders werden ouder. Ze zouden er niet voor altijd zijn. Het kwam niet alleen door mama’s klonterige puree dat ik hard moest slikken.
Mijn ouders waren zo trots op me. Omdat ik succesvol was, zagen ze zichzelf als geslaagde ouders. Hun identiteit was met die van mij verweven. Hoe vaak had ik mam met genoegen in haar stem horen praten als ze het aan de telefoon over mijn perfecte rapporten of mijn toelating voor een vijftal universiteiten had? Ik kon ze niet teleurstellen, niet nu, niet tijdens wat hun gouden jaren zouden moeten zijn.
‘Het gaat hartstikke goed,’ had ik uiteindelijk in de telefoon gezegd. Ik sloot mijn ogen en flapte eruit: ‘Het is juist goed nieuws.’
‘O,’ zei mam met een zucht, ‘ik maakte me even zorgen. Maar dat was natuurlijk nergens voor nodig. Wanneer heb je ons ooit reden tot bezorgdheid gegeven? Wat is het? Heb je weer promotie gekregen?’
‘Echt hoor, we hebben iets heel goed gedaan met die Lindsey,’ had pap trots gezegd. ‘Ze verdient meer geld dan wij ooit hebben gedaan, dat staat vast.’
En zo kwam het dat we naar Antonio’s, het restaurant van de grote ongewassen vork, gingen om mijn triomfantelijke terugkeer in Maryland te vieren.
‘Vertel eens wat meer over je promotie, lieverd,’ zei mijn moeder toen we in de stationcar zaten, ik op de bobbel in het midden van de achterbank; ik voelde me net twaalf.
‘Technisch gezien is het geen promotie,’ antwoordde ik.
‘Altijd bescheiden,’ zei mam tegen pap, die instemmend gromde.
Ik schraapte mijn keel en begon opnieuw. ‘Het stelt echt niet zoveel voor. De firma denkt erover na om een filiaal in D.C. te openen, dus moet ik hier de boel verkennen. Je weet wel, klantenonderzoek, dat soort dingen.’
‘Hoeveel kantoorruimte hebben jullie nodig?’ vroeg pap.
‘Weet ik nog niet,’ zei ik terwijl ik aan mijn haar draaide. ‘Dat eh… zoeken we uit als we eenmaal weten hoeveel personeel er nodig is om aan de vraag te voldoen.’
‘Ik kan het nog steeds niet geloven,’ zei mam. ‘Allebei onze dochters wonen weer in de stad! Alex vond het trouwens jammer dat ze niet mee kon lunchen. Ze heeft vandaag een shoot voor Capitol File.’
‘Ja, dat zei je al,’ zei ik. Mam had het pas drie keer gezegd. Eigenlijk was ik wel blij, want Alex vroeg me niet veel over mijn werk als we alleen waren – zo interessant vond ze het niet – maar als ze zag dat ik me in bochten wrong om de vragen van mijn ouders te beantwoorden, zou haar onzindetector aanspringen.
‘En wat ontzettend fijn dat je nu morgenavond bij Alex’ verlovingsfeest kunt zijn,’ zei mam. ‘Voortreffelijke timing!’
‘Ik zou het niet willen missen,’ zei ik. Hé, ongelooflijk, dat liegen werd steeds makkelijker! Daar had Alex me wel jaren eerder over mogen inlichten.
‘Waar heb ik dat parkeerkaartje ook alweer gestopt?’ vroeg mam zich af toen we bij de slagboom stonden. Ze deed haar tas open en rommelde erin. ‘Ik zou zweren dat ik hem hier had gedaan.’
‘Er staat een auto op ons te wachten,’ zei ik en ik draaide me om om verontschuldigend te zwaaien.
‘Wacht even,’ zei mam en ze haalde een vel papier tevoorschijn. ‘Nee, dat is een kortingsbon van Antonio’s.’
‘Die kunnen we mooi voor de lunch gebruiken,’ zei ik.
Mam bekeek hem. ‘Tot vorig jaar geldig.’
Pap deed zijn raampje naar beneden.
‘We zoeken even het kaartje,’ zei hij tegen de parkeerwacht. ‘Mooi weertje, hè?’
‘Wat raar,’ zei mam. ‘Ik had hem net nog in mijn hand.’
De auto achter ons toeterde.
‘Zal ik even kijken?’ bood ik aan.
‘Ik stop hem altijd in het buitenvakje van mijn tas,’ zei mam. ‘Waarom zou ik dat vandaag niet hebben gedaan?’
‘Ik ben heel goed in dingen vinden,’ zei ik nerveus. ‘Ik ben een goeie vinder.’ Lag het aan mij of klonk ik als Rain Man?
Ik keek achterom. Nu stonden er drie auto’s te wachten, zo ongeveer met loeiende motor. In New York waren we allang neergeschoten. Elke rechter zou het doodslag hebben genoemd.
‘Heb je in je jaszak gekeken?’ vroeg papa.
‘Daar zat hij ook niet.’
Nog meer getoeter en iemand die iets naar ons riep dat klonk als ‘kontzak’ maar ik was ervan overtuigd dat het niet bedoeld was om ons te helpen zoeken.
‘Mensen hebben tegenwoordig geen geduld meer,’ was pap van mening. ‘Het is een verloren kunst.’
‘Hier is-ie!’ zei mam triomfantelijk. ‘O wacht, dat is mijn boodschappenlijstje. Die had ik gister wel kunnen gebruiken. Ik was de sla vergeten.’
Ze keek nog eens goed naar het lijstje. ‘En de aardbeienkoekjes.’
‘Ik wilde het al niet zeggen,’ zei pap. ‘Maar ik zag het vanmorgen wel.’
‘Wat zit daar onder de zonneklep?’ vroeg ik wanhopig.
‘Aha!’ zei mam triomfantelijk. ‘Ik wíst wel dat we hem zouden vinden.’
Ik liet me tegen de achterleuning vallen en voelde dat ik bezweet was. Ik woonde technisch gezien nog geen zestien minuten thuis en ik bedacht me weer iets: ik hield van mijn ouders, maar elke keer dat ik een paar uur met ze doorbracht, verlangde ik hevig naar een paar Advils of een cd van Yanni.
Even iets over het huis van mijn ouders. Herinner je je mijn schone, opgeruimde monnikachtige appartement nog? Matt zou waarschijnlijk zeggen dat het mijn uiting van rebellie was.
Mijn appartement was het tegenovergestelde van mijn ouderlijk huis, waar pap meestal in de werkkamer zit en de televisie harder en harder zet terwijl mam stampt en roept dat hij een gehoorapparaat moet kopen, om uit wraak haar soaps keihard te zetten. Hun woonkamer is net een Sony-begraafplaats, want daar bewaart pap de kapotte elektronica waaraan hij nog niet toegekomen is om die te repareren. En mam bewaart er de was waaraan ze nog niet toegekomen is om die te vouwen en de post die nog niet is uitgezocht. Ongeveer eens per week pakt mam vol enthousiasme vuilniszakken, een zwabber en de stofzuiger. Dan staat ze in de deuropening van de woonkamer ontmoedigd de rotzooi te aanschouwen totdat ze helemaal overweldigd raakt en zich uitgeput moet terugtrekken naar de keuken om als troost een grote schaal met chocoladebroodjes te pakken.
Het is niet bepaald Huize Rust, Reinheid en Regelmaat.
O, en over die elektronica waar de woonkamer mee bezaaid ligt? Mijn ouders negeren de gebruiksaanwijzingen die bij apparaten horen om zo uitzinnig mogelijk op knopjes te gaan zitten drukken, het liefste nog allemaal tegelijk. ‘Probeer het blauwe knopje eens!’ roept mam dan. ‘Nee, dat andere blauwe knopje! Heb je wel hard genoeg gedrukt? Probeer die rode eens!’
Voordat ze op vakantie gaan moet ik ze uitvoerige instructies mailen om hun voicemail te kunnen afluisteren, die ze alweer kwijt zijn voordat ze het vliegveld hebben bereikt. Daarbij komt nog dat mama constant alle foto’s van haar digitale camera wist en dat papa doodsbang is voor de mobiele telefoon die hij vorig jaar met kerst van ons heeft gekregen. Hij springt een meter de lucht in als het ding afgaat en blaft dan zo hard zijn naam in het toestel dat hij het trommelvlies verschroeit van eenieder die de pech heeft zich aan de andere kant van de lijn te bevinden. Alex had hem een keer om hem te pesten op trillen gezet en hem herhaaldelijk gebeld. Hij was nog dagenlang prikkelbaar.
Mijn oude slaapkamer was tenminste nog netjes, met de boeken alfabetisch geordend op auteur, precies zoals ik het had achtergelaten. Alles in mijn kamer zag er hetzelfde maar toch ook een beetje anders uit. Of misschien was ík veranderd. De laatste keer dat ik in deze kamer had gewoond was na mijn tweede studiejaar, en toen maar voor twee weken voordat ik voor een stage naar New York vertrok. In die tijd was ik zo vol energie, hoop en ambitie geweest dat ik ’s nachts moeilijk in slaap kon komen. Deze kamer was slechts een pitstop, een plek om te niksen en te tanken voordat de race richting het echte leven begon. Alle noodzakelijkheden van het leven – slapen, eten, de was doen – leken ongelooflijke tijdsverspilling, hindernissen die ik nauwelijks kon verdragen gezien alles wat ik wilde bereiken.
Ik moest die opgewonden, hongerige plek terugvinden. Ik moest mezélf terugvinden. Ik kende de persoon niet eens die met een collega rotzooide op een vergadertafel op het werk, maar ik wist dat ik dat niet was.
Ik bleef rondlopen in mijn kamer, ondergedompeld in de herinneringen. Op mijn houten bureau lagen nog steeds boeken met ezelsoren en mijn trofee die ik met school bij een televisiequiz had gewonnen, waarschijnlijk het schoonste voorwerp in huis omdat mam hem zo vaak poetste. Mijn ingelijste diploma’s – deelnemer aan de halve finale van het National Merit-programma, afscheidsspreker – hingen boven mijn bureau aan de muur. Ik weet nog hoe pap en mam opsprongen en terwijl ze een wave deden mijn naam riepen toen ik over het podium schreed om mijn prijs in ontvangst te nemen.
En aan de andere kant van mijn kamer, boven op de kast van hetzelfde hout als mijn bureau, stond mijn oude bijouteriedoosje. Ik liep erheen en pakte hem. Het roze fluweel was zo verschoten dat het bijna wit was en de ballerina binnenin was dodelijk gewond, maar er kwamen nog een paar roestige noten van het Zwanenmeer uit toen ik hem opende. Bradleys Valentijn-boodschap zat er nog in, samen met de roos van mijn eindfeest. De blaadjes waren nu zo broos dat ik ze zou verpulveren als ik ze zou aanraken.
Ook al gingen we als vrienden naar het bal, Bradley had me verrast met een polscorsage van rode rozen en gipskruid, herinnerde ik me met een glimlach. Ik had in geen jaren aan het eindfeest gedacht, maar nu kwamen de beelden weer bij me terug als een film die terugdraaide op een spoel. Bradley had een gehuurde smoking aan die amper over zijn knobbelige polsen kwam omdat zijn armen zo lang en slungelig waren, en ik een witte zijden jurk met gevlochten gouden banden kruislings rond de taille. Maandenlang had ik mijn oppasgeld opgespaard om hem te kunnen kopen. Ik had ook voor het eerst van mijn leven hakken aan en ik had een kleurtje op mijn gezicht van een middagje zonnen. Toen Bradley me op kwam halen en ik de deur opendeed, was zijn glimlach zo snel van zijn gezicht gegleden alsof iemand een gum had gepakt en hem had uitgevlakt. Op de een of andere manier wist ik dat dat een goed teken was.
Hij gaf me een klein wit doosje van de bloemist en zei…
‘Wil je een sapje?’ riep mam vanaf de andere kant van mijn deur. ‘Ik heb ook wafels. Die op zelfgemaakte lijken. Ik weet dat je die het lekkerst vindt.’
‘We hebben toch net geluncht?’ hielp ik haar herinneren. ‘Pas een uur geleden?’
‘Je ziet zo bleek,’ antwoordde mam. ‘Weet je zeker dat je niet ziek wordt? Ik ga naar de supermarkt. Kan ik iets voor je meenemen?’
‘Alleen yoghurt,’ zei ik.
‘Je bent toch niet aan het lijnen, lieverd?’ vroeg mam. ‘Want je hoeft echt geen grammetje af te vallen, hoor.’
‘Een kilootje of vijf mag wel,’ zei ik en ik pakte de twee centimeter – of beter, vijf centimeter – rond mijn navel vast om het te bewijzen.
‘Weet je, de meeste mannen houden van vrouwen waar wat spek aan zit,’ zei mam. ‘Alleen vrouwen oordelen zo wreed over andere vrouwen.’
‘Laat die yoghurt maar zitten,’ zei ik. Ik voelde me smerig van de treinreis en ik verlangde eigenlijk alleen maar naar een warme douche, niet een moeder die na schooltijd op me zat te wachten met een kopje thee.
‘Maar ik moet iets voor je halen wat je lekker vindt,’ zei mam bezorgd. ‘Je moet eten anders kwijn je weg.’
‘Mam,’ zei ik met een zucht. ‘Je mag zelf weten wat je voor me haalt. Het maakt me niet uit.’
‘Maar wat wíl je? Dat vroeg ik alleen maar,’ zei mam.
‘Lang, golvend haar,’ mompelde ik terwijl ik me Yanni voor de geest probeerde te halen. ‘Wit pak.’ Ik moest mezelf eraan herinneren dat deze situatie maar tijdelijk was.
‘Zei je nou gebak?’ vroeg mam.
‘Een voorraadje sap en wafels lijkt me heerlijk,’ zei ik tegen haar.
‘Ik wist dat je dat lekker vond,’ zei ze tevreden.
Ik rolde met mijn ogen, zette daarna mijn koffers op het bed en ritste ze open. Ik haalde mijn in vloeipapier gewikkelde zwarte, crèmekleurige en marineblauwe pakken, blouses en rokken er een voor een uit. Waarschijnlijk kostte elk van deze kledingstukken meer dan alle meubels uit mijn kamer bij elkaar. Ik geloofde in klassieke outfits van hoge kwaliteit die jaren meegingen. Zelfs toen ik nog copywriter was, kleedde ik me als vicepresident. Mijn handen aarzelden toen ik het Armani-pak uitpakte dat ik op de dag van de Gloss-pitch had gedragen.
Niet achterom kijken, hield ik mezelf voor, waarna ik kordaat het pak uitschudde en op mijn bed legde. Het zou belachelijk zijn om een Armani weg te gooien alleen maar vanwege de nare herinneringen die eraan kleefden.
Ik hing mijn kleren in mijn kast, rangschikte ze automatisch op kleur van donker naar licht terwijl ik mijn plannen door mijn hoofd liet gaan. Het was vrijdag, dus ik zou het weekend nemen om me te installeren en dan maandagochtend bedrijven bestoken met mijn cv. Binnen een week zou ik een zestal sollicitaties in het vooruitzicht hebben, besloot ik. Ik zou mezelf een maand geven om werk – niet zomaar werk, maar de juiste baan, met voldoende ruimte om hogerop te komen – te zoeken en daarna nog een maand om een appartement te vinden. Ik wilde iets dicht bij het centrum. Misschien in Adams Morgan, vlak bij de straatjes met winkels en restaurants zodat het een beetje aan zou voelen als New York.
Ik pakte de rest van mijn spullen uit en legde mijn koffers netjes op elkaar in de kast. Daarna ging ik op mijn bed zitten. Ik was ineens doodmoe ook al had ik de hele dag niets gedaan behalve in de trein zitten en lunchen. Het was gewoon zoveel zwaarder om op je negenentwintigste een nieuwe start te maken dan het op mijn eenentwintigste was geweest. Ik ging op het bed liggen en staarde naar het plafond. Recht boven mijn hoofd zat een oude vochtplek. ‘Het lijkt net een balzak,’ had Alex een keer gezegd toen we dertien waren. ‘Niet waar,’ had ik gedecideerd gezegd. Ik wist nog steeds niet wat zorgelijker was: dat ze gelijk had, of dat het nog zes jaar duurde voordat ik erachter kwam dat ze gelijk had.
Alex.
Morgenavond op haar verlovingsfeest zou ik haar voor het eerst in anderhalf jaar zien. Zolang hadden we elkaar nog nooit niet gezien. Moeilijk voor te stellen dat onze moeder aan haar buik voelde en niet wist of het Alex’ of mijn voet was die terugschopte. Nu waren onze levens zo gescheiden en verschillend als auto’s op twee parallelle wegen die naar bestemmingen in tegenovergestelde kanten van het land liepen.
In tegenstelling tot het mijne, viel Alex’ leven perfect op zijn plaats. Ik had haar verloofde, Gary, pas één keer ontmoet. Ze waren net samen en Alex was met hem mee naar New York waar hij voor zaken moest zijn. We waren laat gaan eten bij Alain Ducasse op West Fifty-eighth Street, waar de hoofdgerechten meer kostten dan sommige mensen aan hypotheek betalen. Gary had het restaurant uitgekozen. Hij was precies zoals ik had verwacht: lang, succesvol en knap. Ik trok mijn neus op en probeerde te bedenken wat Gary ook alweer precies deed. Investeren in onroerend goed, dat was het. De avond dat ik hem ontmoette, was hij het eerste halfuur aan de telefoon geweest om te proberen te zorgen dat een deal niet in duigen viel, en toen, net toen ik had besloten dat het een eikel was, bestelde hij een fles wijn van driehonderd dollar en keek me aan met zijn staalblauwe ogen. ‘Je vindt me vast een enorme eikel,’ zei hij, waarna hij al zijn charme over me uitstortte. Hij was geknipt voor Alex.
Sinds ze met Gary was spraken Alex en ik elkaar steeds minder. Onze telefoongesprekken – al nooit zo frequent – waren afgenomen tot misschien één keer per maand. Alex was druk en ik ook. Zij en Gary waren zes maanden geleden samen gaan wonen en hadden zich vier maanden later verloofd op een gehuurde zeilboot waarmee ze langs de Amalfitaanse kust reisden. Ze had me een foto gestuurd waarop ze bij zonsondergang met champagne proostten. Zelfs op dat moment van spontane vreugde was Alex’ pose voor de camera berekend en typisch voor een model. Haar heupen waren iets gedraaid, ze hield haar schouders naar achteren en haar kin omhoog. Ik had de foto achter in een album gestopt in plaats van in een lijstje.
Morgen zou ik ze allebei zien op hun verlovingsfeest. Alle buren kwamen ook. Net als de vrienden van mijn ouders en een paar van onze klasgenoten van de middelbare school. Ik wreef over mijn slapen. De hoofdpijn die me al jaren plaagde kwam weer opzetten. Ik trok mijn spijkerbroek, trui en T-shirt uit en trok de pyjama aan die ik opgevouwen op mijn kussen had gelegd. Ik klom onder mijn oude blauwe dekbed en vroeg me af of ik voor het eten nog een dutje kon doen. Misschien had ik toch wel iets onder de leden. Ik deed nooit dutjes.
Maar ik werd al moe bij de gedachte aan morgenavond. Ik zou leugen na leugen moeten produceren, als een circusartiest die bordjes op stokken laat draaien, en doen alsof ik het leven had dat iedereen altijd van me verwachtte. Maar ik zou het doen, en met een glimlach op mijn gezicht. Want wat moest ik anders?